Boeren bij de beek

Natuur en cultuur staan met elkaar op gespannen voet:

natuurontwikkeling is  gebaat bij verschraling van de bodem ten  behoeve van kwetsbare
soorten;  landbouw (cultuur)  is gebaat bij verbetering van de bodemvruchtbaarheid.
In een cultuurlandschap met bestemming “natuur” is het de opgave natuur te helpen ontwikkelen op landbouwkundige wijze, zoals eeuwenlang gedaan is.
Nationaal beek-en esdorpenlandschap Drentse Aa is zo’n natuurpark waar de uitdaging ligt om op gepaste wijze te boeren.

Vijftig hectare natuurterrein hebben we in beheer. We (Marjan van den Berg en Ko Albers) houden hierop 22 melkkoeien en 20 stuks jongvee. De melk , 156.000 liter per jaar, wordt door kaasmakerij Karwij in Rolde verwerkt tot “Drentse Aa zuivel”.


Onze percelen liggen verspreid rond Anderen, en bestaan uit verschillende typen terrein, waar we het  gebruik van de percelen op hebben aangepast:

In de jaren tachtig en negentig weidden we onze koeien in de uitgestrekte onbemeste madelanden. Toen  langzaam maar zeker de bodem verschraalde en natter werd doordat beekbodems werden verhoogd en sloten gedicht, ging dat niet meer en zijn we de koeien op drogere heide-ontginning gaan weiden.
Madelanden  maaien we eenmaal in de zomer, na 15 juni. Het maaisel wordt jongveekuil.  Waar pitrus overheerst, wordt dit maaisel eerst goed gedroogd en uiteindelijk in de winter gebruikt als strooisel voor in de potstal: het merg in de “russen” neemt goed vocht op.

Esgrond en heide-ontginning leveren ons gras dat we gebruiken  als kuilvoer  voor de melkkoeien. Deze gronden bemesten we met vercomposteerde stalmest of drijfmest.

Hogere weidegronden rondom de es van Anderen worden door jongvee beweid. Bemesting  is op een aantal percelen toegestaan, uiteraard ook hier met alleen dierlijke mest.

Tien hectare heide-ontginning op het Eexterveld  beweiden we met de melkkoeien van mei tot en met oktober. Die periode lopen de dieren dag en nacht buiten; melken doen we in het land.

 

Deze natuur-ige manier van veehouden levert  goede melk op, dat demonstreren we met de zuivel die ervan gemaakt wordt.  Maar wat is de opbrengst voor natuur?

Op het erf  jagen kerkuil en steenuil, in de schuur nestelen boerenzwaluwen.
De 16 poelen worden bevolkt door bruine en groene kikkers, kam- alpenwater- en kleine salamander.
In de “ruumpies” vond ik stekelbaarsjes, modderkruipers en snoeken.
In de madelanden huizen moerassprinkhaan,  kwartelkoning, grutto, watersnip en sprinkhaanrietzanger.
In de houtwallen op de overgang van veld naar madelanden zijn een paar territoria van de grauwe klauwier.
In het grasland vind je bruine vuurvlinder, graspieper, grasmus, geelgors, gele kwikstaart. Ook fourageren hier dassen.
Dit is maar een  lukrake opsomming van soorten.

De “Drentse Aa” heeft vooral ambities als botanisch reservaat.  Verleden jaar heb ik  plantensoorten geteld op onze 50 hectare. Ik kwam uit op 310 soorten, waarvan er 15 op de rode lijst staan. Dit hoge aantal, waarop ik net zo trots ben als op de prestaties van onze koeien, zegt veel over de grote variatie in het landschap.

Aan de  gevonden rode lijstsoorten zien we dat die typisch zijn voor een aantal uiteenlopende biotopen:
In het vochtig schraalland vinden we wateraardbei, brede-en rietorchis, noordse zegge, moerasbasterdwederik, blauwe knoop, en op plagplekken moeraswolfsklauw en kleine zonnedauw.
In het heischraal grasland groeit  kamgras,  stijve ogentroost, bosdroogbloem.
In enkele van de vele houtwallen vinden we: dubbelloof, fraai hertshooi, echte guldenroede en jeneverbes.

De meeste soorten zijn overigens te vinden in de landschapselementen als houtwallen, greppels en poelen. Die geven variatie in biotoop en zijn een vrijplaats voor zeldzamere soorten. Maar ook kleden zij het beekdallandschap, waardoor ook algemenere soorten als boeren, burgers en buitenlui er prima kunnen vertoeven!

 

Ko Albers
fam-albers@home.nl